FRAGMENTEN

FRAGMENTEN

Margreet Hofland
Caravaggio
Fragmenten
Bernini
Lezing/cursus
Verantwoording
Gastenboek
In de media
Duizend levens
Contact

Foto's
Links

Bestel

English version

 

BERNINI'S WAANZIN

Proloog

De gevel die boven haar uit torende was vier verdiepingen hoog en telde acht ramen in de breedte. De okerkleurige kalk waarmee de muur bewerkt was, had hier en daar al losgelaten. Costanza was nooit in het huis geweest, maar in gedachten had ze de trappen al duizendmaal beklommen. Jarenlang was ze elke dag langs de deur gelopen, nu liet ze de klopper vallen en was er geen weg meer terug.
  ‘Ik word verwacht,’ zei ze toen de deur openzwaaide. ‘De maestro heeft naar mij gevraagd.’
  Haar stem klonk laag. Ze probeerde er een zekerheid in te leggen die ze niet voelde. De dunne sluier die ze droeg, zou haar gezicht onherkenbaar maken. Zelf zag ze direct dat de bediende die opendeed, nog dezelfde was als toen. De schok deed haar verstijven, ze zou voorzichtig moeten zijn.
  ‘Ik weet niets van een bezoek,’stamelde de oude man verward. ‘De maestro is erg ziek.’
  ‘Gisteren ontving ik een brief van zijn zoon, Domenico. Ik weet dat signor Bernini ziek is, maar ik wil hem graag nog een keer zien. Ik ben toch niet te laat?’
  De leugen kwam vlot over haar lippen. Ze slaagde erin haar stem niet te laten trillen. De woorden had ze geoefend, nu kwamen ze er zonder aarzelen uit. De blik van de knecht gleed onderzoekend over haar heen. Aan haar kleding mankeerde niets, daar was ze zeker van. De donkerblauwe jurk hing met brede plooien van haar taille omlaag, een smal randje kant was aan de halsopening genaaid. Ze had alles goed voorbereid. Als ze maar eenmaal binnen was, zou haar intuïtie haar de weg wijzen. De slaapkamer van de beeldhouwer moest op de bovenste verdieping zijn. Ze wist nog dat hij altijd vlak onder het dak wilde slapen.
  Voordat de bediende kon antwoorden, deed ze een stap naar voren en als vanzelf ging hij opzij om haar door te laten.
    ‘Ik weet de weg,’ zei ze. 
   Ze voelde zijn ogen in haar rug toen ze naar de trap liep. De marmeren treden liepen van breed naar smal en draaiden als een open geklapte waaier omhoog. Bovenaan stopte ze even, hijgend van angst en opwinding. Tranen sprongen in haar ogen toen ze de vertrouwde geur van stof en steengruis opsnoof. Het was alsof ze terug gleed in de tijd.
  Op haar hoede liep ze verder, bang om iemand tegen te komen. Haar ogen wendden langzaam aan het halfdonker en namen de omgeving in zich op. Toen tot haar doordrong wat ze zag, bleef ze roerloos staan. De wanden en het plafond van de grote hal waren overdekt met tekeningen in rood en zwart krijt, direct op de kalk aangebracht. Geen enkel hoekje was onbenut gelaten. Zwevende en draaiende figuren schoten over en langs haar heen om ergens in de schemering te verdwijnen. Sommige herkende ze als engelen, andere leken op goden. Ze sloeg haar armen om zich heen en liet langzaam haar ingehouden adem ontsnappen. Het was alsof ze in de doos van Pandora terechtgekomen was, met boven haar hoofd het gesloten deksel.
  Ze ging verder, duwde tegen hoge deuren en kwam in een vertrek dat ze onmiddellijk als de werkruimte van de beeldhouwer herkende. Het licht viel nevelig door de ramen naar binnen, overal zweefde stof. Ook hier waren de muren bedekt met schetsen. Ze wist nog dat hij soms niet genoeg had aan het papier en dan op de muren verder tekende. Honderden ogen staarden haar nu aan vanaf de wanden. Sommige waren wijd opengesperd, andere gevuld met tranen of tot smalle spleten dichtgeknepen.
  De schok was groot toen ze in een hoek haar eigen gezicht herkende. Het hoofd was bedekt met slangen die als glanzende lokken langs voorhoofd en wangen omlaag gleden. Het was een ruwe tekening waarbij de dunne lijven wild over elkaar heen kronkelden. Ze slikte moeizaam, het was alsof één van hen zich om haar hals wikkelde.
  In heel Rome had men gesproken over het beeld van de Medusa met háár gezicht. Dit moest één van de voorstudies zijn, blijkbaar had hij de tekening nooit uitgewist. Hij had haar toen verafschuwd, dat was aan elke lijn te zien. Ze zag zelfs waar het krijtje afgebroken was door de kracht waarmee hij getekend had. Hij had nooit begrepen waarom ze hem verraden had. Zou hij ooit nog denken aan de tijd van daarvoor? Hoe intens ze elkaar hadden liefgehad? Kon hij echt alles vergeten zijn?
  Ze draaide zich om naar het midden van de werkplaats waar blokken marmer stonden, ze waren al in de ruwe vorm gehakt. Hier en daar lag gereedschap op de grond of op de splinterige bovenkant van een werktafel. Ze zag bozzetti, ontwerpen op houten sokkels, gestold in was of uitgehard in klei. De steenachtige geuren riepen golven van emotie in haar op. Modellen van gips stonden in rijen op de grond en op planken aan de muur, als figuren uit het verleden en de toekomst.
  De vloer was bedekt met gruis en scherven die kraakten onder haar voeten en aan de zoom van haar rok bleven hangen toen ze naar de deur terugliep. Uit een enkel blok marmer doemde een gedaante op als een stille getuige, betrapt in een stadium van zijn en niet zijn. Ze verliet het vertrek en ging de laatste trap op.
  Hoe vaak zou zijn hand over deze trapleuning gegleden zijn? Ze herinnerde zich dat hij altijd, op welke trap dan ook, de treden met twee of drie tegelijk nam zonder zich vast te houden. Hij was nu een oude man. Alleen van een afstand had ze hem nog wel eens gezien, altijd bedekte de sluier dan haar gezicht. Waarschijnlijk dacht hij dat ze dood was of gevlucht uit Rome. Al die jaren had ze niet kunnen geloven dat hij haar wérkelijk vergeten was, maar ook zelf had ze nooit meer willen toegeven aan die pijnlijke emoties. Een diepe haat had alles overschaduwd, afschuw van wat hij gedaan had, maakte alle herinneringen bitter. Alleen af en toe, als haar gedachten afdwaalden en ze minder alert was, overviel het haar plotseling. Dan stroomde die leegte in haar vol met bewondering voor hem, voor wat hij uit het niets kon scheppen. Dan zag ze zijn sterke handen weer voor zich, glijdend over het marmer of over haar lichaam.De luiken op de gang van de bovenste verdieping waren al gesloten voor de nacht. Eén lamp flakkerde onrustig op een tafel. De gebeeldhouwde deur symboliseerde voor haar de toegang naar een leven waarin ze genoegdoening zou kennen. Het moment van vergelding was aangebroken.
  Ze had gedacht dat ze zich triomfantelijk zou voelen, maar waar bleef dan dat glorieuze gevoel waar ze zo vaak van had gedroomd? Hoe vaak had ze haar handelingen niet gerepeteerd waardoor ze precies wist wat ze zou moeten doen als het moment daar was? Het enige wat ze voelde was haar hart dat met zware slagen tegen haar ribben bonkte.
  Achter de deur klonk het geluid van lichte voetstappen die af en toe stilhielden en dan weer verder gingen, alsof iemand op zijn tenen liep en de lampen aanstak. Haar hand reikte naar de klink en bleef even in de lucht hangen, toen opende ze resoluut de deur. De jonge man keek verrast op.
  ‘Domenico,’ zei ze, ‘ik wil met je vader spreken. Kun je ons alleen laten?’
   Zijn wenkbrauwen schoten omhoog.
  ‘U kent mijn naam? Ik de uwe niet.’
  ‘Ik ben een oude vriendin, je zou mij moeten herkennen van zijn beelden.’
  Hij staarde haar aan, maar ze maakte geen aanstalten om haar sluier terug te slaan.
  ‘Je vader en ik zijn ooit geliefden geweest. Ik heb gehoord dat hij stervende is en ik wil graag afscheid nemen,’ voegde ze er zacht aan toe.
  Ze zag dat haar woorden hem raakten en hij liet haar passeren.
  ‘Hij is heel zwak en kan niet meer praten. Vermoei hem niet teveel.’
  De deur viel achter hem dicht terwijl ze naar het bed liep. Op het nachtkastje stond een kaars die een zwak licht verspreidde en de schaduwen langgerekt over de vloer liet vallen. De oude man keek haar verbaasd aan. Hij vertrok zijn mond, alsof hij wilde spreken maar de woorden niet kon vinden. Zijn haar was wit, de krullen die op zijn schouders vielen, waren dik en zwaar. Ze liep naar het bed en vanonder de overhellende wenkbrauwen volgden zijn ogen haar met de brandende blik die ze nooit vergeten was, duister en doordringend, als van een roofdier.
  ‘Herken je mij niet meer, Gio?’
  Ze trok haar handschoenen uit. Op de rug van haar handen waren blauwe aderen zichtbaar. Ze aarzelde, zich plotseling afvragend of ze haar plan wel door moest zetten. Nu ze hier stond, leek haar voornemen iets uit een periode die voorbij was en na vele jaren versleten. Had de tijd haar ingehaald? Maar even snel als de gedachte bij haar opgekomen was, schudde ze deze weer van zich af. De behoefte aan vergelding was nog even levend als toen. Het moest gebeuren.
   Langzaam begon ze zich uit te kleden. Haar kleren vielen op de grond. Ze wilde dat hij haar lichaam zou herkennen. Dat hij zich zou herinneren hoe het voelde: haar huid tegen de zijne, zijn mond op die van haar. Ze had nooit kinderen gebaard, haar borsten hingen niet, haar huid was nog rimpelloos en zacht, maar toch... had ze te lang gewacht? Ze was dankbaar voor het halfduister dat haar jonger en mooier maakte.
  Hij sperde zijn ogen wijd open van verbazing, maar daarna gleed zijn blik nieuwsgierig over haar heen. Hij moest zich wel afvragen wie ze was en wat ze kwam doen. Ze was er zeker van dat hij uiteindelijk de lijnen van haar heupen en dijen zou herkennen. Als laatste deed ze haar sluier af. Het litteken op haar wang trok haar rechtermondhoek in een ongewilde, nooit verflauwende glimlach omhoog.
  ‘Hier ben ik, Gio.’
  Schrik en ongeloof verschenen in zijn ogen, tranen die opwelden. Wanhopig probeerde hij iets te zeggen. Zijn rechterarm lag hulpeloos op zijn borst, de linkerarm plukte aan zijn hemd. Ze tilde de lakens op en schoof tegen hem aan. Haar adem stokte toen ze de warmte van zijn lichaam voelde, ze had niet voorzien dat haar reactie op hem nog zo hevig zou zijn. Bernini legde zijn hoofd tegen haar schouder en drukte zijn lippen tegen haar hals. Zo lagen ze een tijdlang roerloos om zich te herinneren wat vergeten was. De reden van haar komst verdween langzaam uit haar gedachten. Het leek opeens onbelangrijk. Met een steek in haar hart besefte ze dat hij haar binnenkort voorgoed zou verlaten om te vervagen als in een droom. Wat zou er dan nog van haar overblijven?
 

 

ENKELE FRAGMENTEN UIT HET GENIE VAN ROME (je kunt ook hier het word.doc openen)

Uit de PROLOOG

Eerste alinea uit de brief van Lucia Aratori -de moeder van Caravaggio- aan haar zoon.


Caravaggio, 23 juni 1589

Mijn liefste Michele,

Soms gebeurt er iets in je leven wat je nooit kunt vertellen. Zodra ik het verstand in je ogen zag gloren, bedacht ik elke dag opnieuw de woorden waarmee ik mijzelf zou verlossen van de loodzware last van mijn verzwegen verhaal, jouw verhaal. Nooit kwam het moment waarop ik de juiste zinnen vond. Je zult deze brief dus pas vinden na mijn dood.
‘…’


Uit Hoofdstuk II

Milaan, 1576
De droom van een kleine jongen

Hijgend rende ik door de lange gangen van het palazzo, op zoek naar Marchesa Colonna, wanhopig opende ik deur na deur.
`Donna Costanza, donna Costanza', snikkend vloog ik de hoeken om, verblind door tranen. Mijn wilde gang werd plotseling onderbroken door een enorme gestalte, gekleed in het statige Spaanse zwart van de adel, de witte kraag als een molensteen om de hals geklemd. Een kale schedel zweefde hoog boven mijn hoofd, als de volle maan het licht weerkaatsend.
Uit mijn evenwicht gebracht, viel ik op mijn knieën. De scherpe pijn, veroorzaakt door de randen van de ruwe stenen op de vloer, maakte dat ik begon te gillen. Ik sloeg onbeheerst om me heen. Toen drong pas tot mij door tegen wie ik aangevlogen was.
Het is mijn held, Marcantonio Colonna, de beroemde vader van donna Costanza!
Het was voor het eerst dat ik zo dicht bij hem was. Zijn ingevette laarzen roken naar de zee, naar schuimende golven en buskruit.
Marcantonio, de admiraal van de pauselijke vloot, was de belangrijkste persoon uit mijn kinderdromen. Hij stond aan het hoofd van een van de oudste en machtigste families van de Romeinse adel, de Colonna's, én was de vader van donna Costanza. In Milaan was hij de lieveling van het volk en nadat hij de vloot van de paus naar de overwinning gevoerd had, werd zijn naam ook buiten de stad bekend. In mijn ogen was hij machtiger dan de paus zelf. Zijn zege op de Turkse vloot bij Lepanto, een week na mijn geboorte, had hem beroemd gemaakt. Mijn moeder had mij verteld dat zij toen net zo in gespannen afwachting geweest was van nieuws over de afloop van de zeeslag, als van de komst van haar eerstgeborene. Misschien was mijn band met de grote man toen al gesmeed.

Ik had de Marchesa wel honderdmaal gevraagd mij nóg eens te vertellen over de glorieuze intocht van haar vader in Rome, die twee maanden nadat ik geboren was alle burgers de straten op had gedreven. `Op weg naar de paus, over de Via Appia, de weg voor Romeinse overwinnaars, had hij zich laten toejuichen door een uitzinnige menigte.' Ze had het mij zo vaak beschreven dat ik de paarden en soldaten, die de gevangen Turken opdreven, duidelijk voor me zag wanneer ik mijn ogen sloot. Op dit moment, terwijl ik de pijn in mijn knieën negeerde en de blik van Marcantonio als van God uit de hemel op mij neer zag dalen, schoten de beelden opnieuw in alle kleuren en vormen door mijn hoofd.
Ik zag mijn held Rome binnenrijden over de brede Via Appia, geheel in het zwart gekleed, op de stijve kraag na. Kaarsrecht zat hij op de rug van zijn witte hengst, gevolgd door een leger van meer dan vijfduizend soldaten. De zon schitterde op de duizenden helmen en zwaarden. Rode pluimen deinden als klaprozen in een korenveld tussen de te hoop gelopen menigte. Vóór hem, daar waar het stof hoog opvloog door striemende zwepen, werden honderdzeventig geketende Turkse gevangenen opgedreven. Voor hun ogen werd het vaandel van de verslagen sultan over de grond gesleept. De juichende toeschouwers schreeuwden steeds weer de naam van de overwinnaar: `Viva Marcantonio, viva', en klapten in de handen. Trompetten jubelden, het gouden licht weerkaatste op het koper en verblindde de toegestroomde massa. Aangekomen bij de Ponte Sant'Angelo stak mijn held de Tiber over, omringd door vijfentwintig kardinalen, die in open draagstoelen meereisden. De rode hoeden waren van een grote afstand zichtbaar. Van daaruit vervolgde Marcantonio zijn weg naar de Sint-Pieter en het Vaticaanse paleis, waar de paus hem verwelkomde in de Sala Regia, wat een geweldige eer was.
Donna Costanza vertelde mij vaak over de beruchte zeeslag die voorafgegaan was aan deze zegetocht. `Achtduizend christenen waren die dag gesneuveld, maar nog veel meer Turken, het water kleurde zich langzaam rood om de galei van Don Juan, de aanvoerder van de vloot. De zeilen schitterden in de zon, als vrolijke banieren, de kanonnen aan de zijkant priemden als spinnenpoten naar buiten. Het mooiste moment kwam toen het hoofd van Ali Pasha op een spies naar hem toe werd gebracht. De staak was besmeurd met bloed dat omlaag droop. Het afgehakte hoofd stak als een trofee hoog boven de joelende massa uit, de verstarde blik omhoog gedraaid, de oogballen uit het hoofd puilend.'
Ik zag in mijn verbeelding mijn held tussen de Turken staan, zwaaiend met zijn zwaard, hoofd na hoofd afhakkend. Nu stond hij voor me, in levende lijve, en het verbaasde mij dat er geen bloed aan zijn handen kleefde. Hij greep mij onder de oksels en met een bulderende lach tilde hij mij hoog de lucht in.
`Een kleine, donkere duivel die mij omver probeert te werpen', baste hij met zijn zware stem. `Het is geen Turk gelukt, maar jij doet mij zowaar op mijn benen trillen! Wanneer je volwassen bent, meld je je maar bij ons palazzo in Rome; zo'n dolle hond als jij kan mijn belangrijkste aanvoerder worden in de strijd tegen de Moren.'
Ik keek hem sprakeloos aan, mijn mond moet opengehangen hebben.
Toen liet hij mij weer op de grond zakken, mij in de overtuiging achterlatend dat Rome mijn levensdoel was en dat ik daar ooit als ridder geëerd zou worden. Met grote stappen en een bulderende lach beende hij weg door de lange gangen waarbij het geluid van zijn zware laarzen duizendmaal weerkaatste. Het duurde lang totdat de echo's geheel weggestorven waren.


 

 

 

 

MARGREET HOFLAND


In maart 2003 kwam het eerste boek van Margreet Hofland uit. Een meeslepende roman over het turbulente leven van de Italiaanse schilder Caravaggio en zijn onverwachte band met het heden.

Het genie van Rome

Paperback 554 pagina's
ISBN: 906265546 7
Uitgeverij: In de Knipscheer
Prijs: 22,50

Uit Hoofdstuk XVIII

Rome, 25 augustus 1605

Spijt

Met slepende tred liep ik de heuvel op naar het machtscentrum van Rome, het Palazzo del Quirinale. Ik liep langs Palazzo Colonna, dat leeg was zonder Costanza, langs de twee enorme beelden van Castor en Pollux die, naast hun paarden staand, ernstig over het Piazza del Quirinale keken. Ik was op weg naar de zomerresidentie van de paus. Ik had er een afspraak met Scipione Borghese, de nieuwe kardinaal, de neef van
Paulus V. Scipione die toevalligerwijze de naam van mijn zoon droeg.
Ik voelde mij ellendiger dan ooit. Teruggekomen uit Genua had ik de deur van mijn huis op slot gevonden, mijn eigendommen waren in beslag genomen. Voordat ik zo overhaast was vertrokken, had ik te weinig geld gehad om de huur te betalen. Zodra de eigenares van het huis wist dat ik weg was, had ze er een andere huurder in gezet. Er wachtte mij nog een boete voor het vernielen van de muur, die ik had bewerkt met een stoel op die gedenkwaardige nacht dat ik Lena op mijn drempel had gevonden.
Buiten alle andere dingen die ik van mijzelf vond, voelde ik mij nu ook nog een zwerver. Ik vond tijdelijk onderdak bij Andrea Ruffetti, een vriend van Onorio. Lena had ik bleek en stil in het huis van haar moeder aangetroffen. Ze was bang, ik kon niet tot haar doordringen. Er was een verdriet in haar, waar ik niet bij kon komen. Het litteken op haar wang was een smalle roze lijn geworden, haar figuur was niet meer dat van een jong meisje, maar ik hield meer van haar dan ooit. In haar ogen las ik de pijn van een moeder zonder kind. Ze zat meestal stil voor het raam naar buiten te staren en bracht in een steeds herhalend gebaar haar hand naar de roze streep op haar wang. Ik voelde mij zo machteloos!
Niets verbaasde mij meer, ook niet dat ik bij de hoogste kardinaal was geroepen om mijn zaak te bespreken. Wat kon mij nog meer overkomen? Ik wist van mijn gastheer Ruffetti dat Scipione Borghese nog geen dertig was en pas drie maanden in Rome woonde. Hij was arm opgegroeid, pas vijf weken kardinaal en had sinds enkele dagen ook een functie in de regering. Zijn taak was om de Borghese-familie aanzien te geven en de pracht en praal van onder anderen de Colonna’s te overvleugelen. Volgens Ruffetti was hij bijzonder slim en hield meer van kunst dan van geld of andere bezittingen.
‘Je moet dat uitbuiten’, zei hij. ‘Bied hem een schilderij aan, het is je laatste kans.’
Met deze boodschap was ik naar Del Monte gegaan die het aan de nieuwe kardinaal door moest geven. En misschien had het gewerkt.
Ik werd ontvangen in de privé-vertrekken van Scipione Borghese. Hij liep naar mij toe en begon tegelijkertijd snel te praten met een stroom van woorden. Hij fladderde rond in zijn rode habijt, waar hij nog niet aan gewend was. Zijn te snelle bewegingen werden er door afgeremd, soms bleef hij met de wijde mouwen achter de leuning van een stoel hangen. Met zijn schrandere ogen nam hij mij intussen nieuwsgierig op, bijna met bewondering. Hij wilde de tijd nemen om naar mij te luisteren en ging zitten, al leek het alsof hij dadelijk weer op zou springen. Hij probeerde mij op mijn gemak te stellen en stelde mij allerlei vragen. Hij vroeg naar de oorzaak van mijn uitbarsting op de Piazza Navona en luisterde verder zonder onderbrekingen naar mijn verhaal. Ik vertelde over mijn liefde voor Lena, mijn ontkende zoon en mijn gestorven zoon. Toen ik het medeleven zag op zijn vriendelijke gezicht, brak er iets in mij. Ik huilde. Als een gevelde boom, een gebarsten rots, zat ik in de weelderige, roodfluwelen stoel en huilde de tranen van een kleine, eenzame jongen.
Scipione legde zijn hand op mijn hoofd en zei ontroerd: ‘Ik zal je helpen, mijn zoon. God heeft mij op je weg gebracht, ik zal met je vechten tegen het kwaad, dat als een loodzwaar kruis boven je hangt. Ik ken je schilderijen, ik zie duidelijk dat God je hand gestuurd moet hebben om zulk prachtig werk te scheppen. Ga naar huis om te werken, begin aan een schilderij voor mij en kom morgen terug, dan zullen we ervoor zorgen dat alles opgelost wordt.’
De volgende dag tekende ik in de kamers van Scipione, in het bijzijn van zijn assistenten, een vredesverklaring met de inhoud dat ik nooit meer een vertegenwoordiger van het gezag zou aanvallen. Als tegenprestatie zou Pasqualone alle aanklachten tegen mij intrekken, maar zijn afstraffing kreeg ik diezelfde avond nog. Ze grepen mij met vijf man tegelijk toen ik op weg naar huis was. Ik had geen enkele kans en werd ernstig gewond aan mijn hals en oor. Het ontbrak mij aan levenskracht om terug te vechten.
Langzaam herstelde ik bij Ruffetti van mijn wonden, geestelijk en lichamelijk. Mijn leven leek weer een beetje op orde te komen, maar ik moest helemaal opnieuw beginnen. Ik steunde nog steeds op Cecco, die voor mij zorgde en op Prospero, die mij voortdurend in de gaten hield. Ook Cornacchio bleef mij trouw. Ik had geen scudo meer. Ik maakte het schilderij voor Scipione voor een te verwaarlozen bedrag en kreeg via hem de opdracht om een portret van de paus te maken. Ik hoopte dat het mijn kansen zou vergroten op meer kerkelijke opdrachten. Eind oktober mocht ik een schilderij voor de Sint-Pieter maken.

Uit Hoofdstuk XIX

Rome,Villa Borghese,1985

David en Goliath

Het licht van de late middagzon staat nu bijna recht op de ramen, het is helderder dan normaal. Het strijkt over het oppervlak van het doek en dat geeft een bijzonder effect. Elke verdikking in de verf maakt een minieme schaduw, alsof de verf loskomt van het doek. Lucas’ ogen glijden over de plooien van het witte hemd van David, de vochtige onderlip van Goliath en de wond op het voorhoofd, het ene oog kijkt hem, zoals altijd, onderzoekend aan. Zijn vermoeden dat in dit schilderij de oplossing van het geheim van Caravaggio te vinden is, wordt elke keer dat hij hier staat sterker. Hij onderzoekt elke vierkante centimeter en staart naar de kleurvlekken. Het doek bestaat uit twee aan elkaar gezette stukken. De naad is nu duidelijk zichtbaar.
Zijn blik stopt bij het blad van het zwaard, hij ziet daar een aantal verdikkingen met een regelmatig patroon, die zichtbaar worden door het strijklicht. Onwillekeurig doet hij een stap dichterbij en hoort het bescheiden kuchje van de suppoost. Alsof hij het schilderij zou kunnen vernielen! Hij houdt zijn hoofd schuin en laat zijn ogen gespannen langs het blad van het zwaard glijden. Het zijn onmiskenbaar tekens. Letters? Verder dan dat komt hij niet. Het eerste teken zou een ‘H’ kunnen zijn, en daarna een ‘A’ ... maar natuurlijk!
‘H.A.O.S., lees het zwaard. U zult mijn Caravaggino herkennen.’ In die tijd werden vaak door de smid letters in het blad van een zwaard gekerfd, maar dit zou iets anders kunnen betekenen. De verdwenen boodschap van Caravaggio, de gevonden brief van Cutajar! Is dit de sleutel waarnaar ik op zoek ben? Wie is de Caravaggino?

Lucas krijgt het warm. Hij probeert zich te beheersen. Hoe kan hij dit beter onderzoeken? Hij realiseert zich dat hij niet wil dat Christofano zijn ontdekking te weten komt. Het geheim is van hemzelf, voor hem alleen bedoeld.

De volgende ochtend leent Lucas zodra de winkels open zijn, een vergrootglas bij de opticien in zijn straat. Als hij bij de villa komt, is het museum nog niet open, maar de bezoekers staan zich al te verdringen voor de ingang. Een toeristenbus spuwt zijn inhoud uit over het grind. Gelukkig staat de suppoost al op zijn post. Lucas doet zijn uiterste best om vriendelijk tegen hem te zijn. Trillend haalt hij zijn vergrootglas tevoorschijn en buigt naar voren. Heel langzaam doemen de letters onder het bolle glas op.
‘H.A.O.S. ... ... ... HumilitAs Occidit Superbium’, Nederigheid Doodt Hoogmoed: het zijn de letters uit de brief van Cutajar.
Het is dus zonder twijfel dit schilderij dat het geheim verbergt, denkt Lucas.


Uit Hoofdstuk XX

Rome, 1606

Vlucht

Drie dagen bleef ik in het palazzo van Giovanni Niccolini, de Toscaanse ambassadeur. Ik had veel pijn en soms zag ik de hemel van het bed voor mijn ogen draaien. Af en toe voelde ik mij zo slecht dat ik de inhoud van mijn maag leegde in de porseleinen schaal naast mij. Soms was het warm alsof ik de brandende zon voelde, soms had ik het zo koud dat ik dacht dat ik al in het kille water van de onderwereld dreef. Enkele malen zag ik Del Monte, die tegen mij sprak, maar ik kon hem niet verstaan. Deze keer was hij vroeg in de ochtend gekomen; mijn koorts was gezakt en ik voelde mij redelijk helder.
‘Ik kan je niet meer redden, mijn zoon. Mijn macht is wankel onder deze nieuwe paus. Je enige redding is kardinaal Scipione Borghese, die een zwak voor je heeft. Zoals er gelukkig meer zijn.’ Even bleef het stil. ‘Je hebt nooit geleerd je hartstocht te bedwingen, dat heeft goede en slechte kanten, maar nu heb je een onvergeeflijke fout gemaakt. Misschien wel de laatste. Tomassoni is dood, hij is al begraven. Zijn vader was een belangrijk man en men ziet jouw zelfverdediging als een brute moord. De manier waarop jouw slachtoffer... eh... vernederd is, maakt het er niet beter op. Iedereen in Rome spreekt erover!’
Hij liep naar het raam alsof hij mij niet langer durfde
aan te kijken.
‘Mijn vriend Niccolini kan je niet langer verborgen houden. Men heeft mij gewaarschuwd dat er morgen een huiszoeking komt. Je zult moeten vluchten, alweer, maar deze keer voor langere tijd. Je machtige vrienden van de Colonna-familie schieten je voor de zoveelste keer te hulp. Je zult enige tijd op een van de landgoederen van de familie buiten Rome moeten verblijven, Palestrina, Zagarolo of Paliano. Het is niet langer dan een dag reizen, de koets staat al voor.’
Del Monte hielp mij met aankleden, zijn handen trilden toen hij mijn buis dichtknoopte en per ongeluk mijn huid beroerde. Toen ik probeerde te spreken, zei hij: ‘Zeg maar niets, jongen, ik begrijp het wel.’
Zijn mond trok scheef bij de hoeken. Hij ondersteunde mij en bracht mij zelf naar het rijtuig. Ik nam niets mee. Alles wat ik had, was mij ontnomen. Toen de koets wegreed, zag ik zijn habijt in de verte krimpen tot een kleine spat vermiljoen, als een bloeddruppel op een van mijn doeken.

pl

David met het hoofd van Goliath

Amore Vincitore